Categorieën
Tripel

Knotje

Zo’n vent met een knot op zijn kop
Je kunt er niet meer aan ontsnappen
Nog erger dan matje of bob
Kan iemand hem ordelijk kappen?

Zo’n knot op de kop van een vent:
Gestakker van hipsters en wappen
Bevliegingen van het moment
Een kerel moest daar maar mee kappen

Zo’n kop van een vent met een knot
– Ik zal het u hier maar verklappen:
Het aanzicht is echt geen genot –
Zou iemand er af moeten kappen

Categorieën
Sonnettenkrans

Zelfwezen

1
Ik had achteraf bij mezelf moeten blijven.
Nee, had ik maar liever geen meesters beluisterd
die luchtig en losjes hun coachhandel drijven

en ook niet met paarden of bomen gefluisterd
met life coach, of trainer of swami of psych,
of mij met mijn ziel aan een goeroe gekluisterd.

Een Hazes, Harari, wel geinig an sich,
Camus, Marx, Voltaire, of Famke Louise,
De Wachter, een Scherder: geklets of gelieg.

Maar al dat gezwam van zo’n eminence grise
of influence-puber-gelijkhebberij
is niet relevant voor mijn shitanalayse.

Dus beter had ik toch eens oren voor mij;
omdat ik dat naliet, liep ik mij voorbij.

2
Omdat ik dat naliet, liep ik mij voorbij,
maar vast ook wel door het gebrek aan een -ine.
Je bent wat je eet, zo verzekert men mij.

Voor nachtrust en angstbeheer L-theanine;
voor weemoed en ongemak kruid van Sint-Jan;
voor lever en hersens een pil Lecithine.

Wat amfetamine voor vlam in de pan;
wat Cariprazine bij wanen en stemmen;
wat Alabastine voor huid spik en span.

Een neut om mij ook niet te veel af te remmen.
Zo loop ik voortdurend mijzelf in te lijven:
Een tabula rasa vol kuilen en klemmen.

Je brein en je lijf moet je zelf gaan beschrijven.
Ik wist het ook wel, maar het wou niet beklijven.

3
Ik wist het ook wel, maar het wou niet beklijven,
want dagelijks wordt mijn geweten gewist,
omdat ik zo graag in het heden wil blijven.

Voortdurend verdringend, historienudist,
in eeuwige zon van onzinnige zen,
een oververhitte relaxfetisjist.

“De mens die bestaat, is de mens die ik ben”,
wordt non-stop beleden, verdichtend mijn Eden,
alwaar ik hardnekkig mijn afkomst ontken.

Er blijkt in het heden geen tijd te besteden,
Want telkens is weer het momentum voorbij
en ben ik pardoes in ’t verleden vergleden.

Och heden, ik holde in zijnsrazernij.
Wanneer ik weer stilsta, word ik geheel mij.

4
Wanneer ik weer stilsta, word ik geheel mij.
Ik filosofeer en ik reminisceer
en sta in de kracht van mijn zelfpeinzerij.

Ik imagineer en ik evalueer;
ik spiegel, ik wik, en ik doe dat bestendig.
Ik argumenteer en ik weet wat niet meer.

Ik ben, al beschouwend, niet zen, maar ellendig
en wis en warempel mijn zelftherapeut.
Nu eerst maar eens wandelen, denk ik behendig.

Ik hoop dat beweging het malen wat stuit
en ben in het voetspoor van Scherder gekropen.
Het loopt mij wat om, een uitnemend besluit!

Het slottafereel wordt geen op-, maar ontknopen,
omdat er vanzelf iemand in zal gaan lopen.

5
Omdat er vanzelf iemand in zal gaan lopen.
zoals je met pasgekocht schoeisel moet doen,
leer ik, integrerend, met zelfbeklag copen.

Het leven begrijp je pas na je pensioen
en ondanks de weelde van geestwetenschappers
verklungelt mijn leven, daar wringt hem de schoen.

Want welke malloot gaat met nieuwbakken stappers
een wedstrijdje rennen? Een onbesuisd streven?
Vermetelheid troef of iets tamelijk dappers?

Op voorhand maakt inleefvermogen bedreven.
Dat lijkt niet onnuttig, nog vers uit het ei.
Helaas is het niet zo gesteld met het leven.

Zodra je geboren bent, ben je er bij.
Wat is toch de zin van die puzzelarij?

6
Wat is toch de zin van die puzzelarij?
Straks loop ik nog door in die rotcryptogrammen
of spring ik in paardensprong mij weer voorbij.

Ik moet als een blinde mijn speelveld bedammen.
Het schaken wel beu, ga ik honderden stukjes
eerst traag, dan gejaagd in hun samenhang rammen.

De hoekjes, de kantjes, op kleur in hun plukjes.
Ik pas en ik meet en desnoods ga ik slaan.
Ik vorder gestaag en heb zelfs wat gelukjes…

De klus is geklaard, concludeer ik voldaan,
maar toch heeft de puzzel nog één plekje open.
Het tafelblad grijnst door die leegte mij aan.

Ach, spelenderwijs met de molens gelopen…
Ik tob me door bakken vol bietensiropen.

7
Ik tob me door bakken vol bietensiropen,
verman me: ik wil toch geen knol voor citroen?!
Zo laat ik me maar eens wat learnings verkopen.

Een cursus resilience op mijn blazoen;
modules balansen en mindless ontstressen;
de welzijnsformules uit driepuntssermoen.

Ik preste mezelf tot vereiste successen.
Zo ben ik enorm met benul begenadigd
en heb ik mijn lesdorst genoeg kunnen lessen.

En nu mijn profiel van LinkedIn is verzadigd
en bergen van wellness aan mij zijn beloofd,
dan blijkt er toch iets in mijn zelfbeeld beschadigd.

Het had moeten lukken, ik héb me gesloofd…
Al baggerend snel van illusies beroofd.

8
Al baggerend snel van illusies beroofd,
verken ik de ruimte voor nieuwe ideeën
en leer ik een dienstig gebed uit mijn hoofd.

Och, geef mij de moed zodat wij met ons tweeën
ons zelfbeeld gaan houwen tot aan onze dood
en dat we niet horen bij al te gedweeën

die lukraak aanvaarden, het hoofd in de schoot;
die lijdzaam gaan toezien hoe alles verkabbelt
en over ze heen stroomt als stront in de goot.

Ze zijn als een dijk van de rattten beknabbeld
en laten het water meanderend lopen.
Ze hebben intussen hun dagen verbabbeld.

Ook ik heb, al kniezend, geen meter gekropen.
De tijd is er met me vantussen geslopen.

9
De tijd is er met me vantussen geslopen.
Ik zou dus zo onderhand slim moeten zijn;
nou allesbehalve, ik voel me bezopen.

Want actiebereidheid, dat lijkt dan wel fijn,
maar soms moet een mens ook eens stoppen met vechten,
geheel met Fransiscus’ gebeden in lijn.

De kunst is om telkens de vraag te berechten
of lijdzaam-, dan werkzaamheid voorkeur geniet.
En dagelijks moet ik dat pleit weer beslechten.

De binnenstebonje gaat op de limiet.
Ben ik nog wel steeds met mijn ego verloofd?
Ik sta aan de zelfkant, verrijkt, doch failliet.

Mijn innerlijk heeft me een kooltje gestoofd.
Zo ben ik vanzelf weer in tweeën gekloofd.

10
Zo ben ik vanzelf weer in tweeën gekloofd,
maar mogelijk is die gespletenheid nuttig,
want dubbelbesnuggerd is immers het hoofd.

De lijdzame echter, is nogal pietluttig;
de werkzame meestal wat kort door de bocht
en vindt dus die ander kleinburgerlijk truttig.

De lijder in mij redeneert erg doorwrocht
en boomt over alles aleer te beslissen.
De strijder vindt dat dan weer veel te gezocht.

Hij wil uit zijn aard dat geneuzel gaan dissen
en haat vanzelfsprekend beleidspessimisme,
wat hij in die lijer zo graag zou gaan missen.

En wegens dit dubbelspelautomatisme
ontkom ik dus nooit aan het zelfdualisme.

11
Ontkom ik dus nooit aan het zelfdualisme,
tenzij ik het stop met een monsterverbond,
de rollen bepaal in dit zelfmasochisme?

We striemen elkaar op de kop en de kont.
Je zal toch niet zien dat mijn hart hier vereelt,
terwijl ik er zelf bij te folteren stond?

We hebben de hersenen keurig verdeeld.
een afspraak hierover was spoedig beklonken
en zo zijn de ego’s toch beiden gestreeld.

Op oneven dagen mag strijder gaan pronken
Daarna mag de lijder, zoals hem beloofd.
Die ander blijft dan in gedachten verzonken.

Maar heb ik nu echt alle haren gekloofd?
Ik maak eens een selfie en staar naar mijn hoofd.

12
Ik maak eens een selfie en staar naar mijn hoofd.
Die bakkes vol rimpels oogt uiterst gespannen.
Op Instagram heb ik een prijs uitgeloofd.

O, mensen met dartele photoshopplannen
en kunde van maskers en filtermagie,
wie kan dat duel van mijn tronie verbannen?

Ik kijk naar de pogingen; al wat ik zie:
gegunde verdunning, de kloofjes wat vaag.
De banden verwisseld, doch niet het chassis.

Zo zit ik nog steeds met dat hoofd in mijn maag
en kokhalzend zucht ik; en ik vergewis me
van alles wat ik op mijn aangezicht draag.

Ik wil het maskeren, maar nee, ik vergis me:
verbeten gelaatstrekken vol van cynisme.

13
Verbeten gelaatstrekken vol van cynisme.
Wat brengt mij uiteindelijk dit soort gepluis?
Ik gun mij nog één keer een flink shot verfrisme.

Vervolgens verhuis ik mij fluks naar een kluis,
probeer er te aarden en weer te onthechten
van al het gewemel, gezemel, gesuis,

neem afstand van allerlei wereldgerechten
en vast er mijn maag en mijn darm uit het lijf:
mijn geest moet in staat zijn mijn lichaam te knechten.

De slotsom na dit heremietenverblijf
wordt samengevat in een fraai aforisme
(waarmee ik nochtans geen geschiedenis schrijf):

“Het zelfzoekend worden is zijnsrealisme”.
Ik kijk naar mezelf en zucht: Jongen, ik mis me.

14
Ik kijk naar mezelf en zucht: Jongen, ik mis me.
Inmiddels ben ik nu het speuren wel beu,
dus basta maar eens met dat egotoerisme.

Gefilosofeer als hiervoor is, hoe sneu,
alleen maar wat tijdverdrijf, bermrecreatie
voor lui uit het intelligente milieu.

Mijn zelf blijkt in wezen een soort van relatie
tot eeuwig intern dialectisch gevaar
dat nimmer mag stranden in stabilisatie.

Dit achterwaarts wetend, nu voorwaarts dan maar!
Een trektocht van tranen in tachtig bedrijven:
Dus achter mijn neus aan, geen navelgestaar!

Ik zal deze krans van mijn tabula wrijven;
ik had achteraf bij mezelf moeten blijven.

Meestersonnet
Ik had achteraf bij mezelf moeten blijven.
Omdat ik dat naliet, liep ik mij voorbij.
Ik wist het ook wel, maar het wou niet beklijven.

Wanneer ik weer stilsta, word ik geheel mij,
omdat er vanzelf iemand in zal gaan lopen.
Wat is toch de zin van die puzzelarij?

Ik tob me door bakken vol bietensiropen,
al baggerend snel van illusies beroofd.
De tijd is er met mij vantussen geslopen.

Zo ben ik vanzelf weer in tweeën gekloofd,
ontkom ik dus nooit aan het zelfdualisme.
Ik maak eens een selfie en staar naar mijn hoofd.

Verbeten gelaatstrekken vol van cynisme.
Ik kijk naar mezelf en zucht: Jongen, ik mis me.

Categorieën
Overig

Lente

Categorieën
Matzes en hosties

Bewoonbaar is de wereld niet

Bewoonbaar is de wereld niet.
Ik zie het aan de zon die wijkt
en merk het aan de reiger die
mistroostig naar het dalen kijkt
op één been in de drasse zomp.
En is de laatste straal dan weg,
dan rijst een kilte uit de plomp,
ik huiver als een ijzelklomp.
Ik zie in die omsingeling,
wat mij in schemering omringt:
bewoonbaar is de wereld niet.

Bewoonbaar is de wereld niet.
Dat zie ik als de rode maan,
door stof als bloed is opgegaan,
nog net de torenspits bestrijkt
vanwaar een uil, voor wonder stom,
zijn hoofd omdraait, de schijf bekijkt.
En nu het stil is op de straat
herinner ik die middag laat
de nabestaanden in de stoet,
daar waar de maan de uil ontmoet.
Ik merk in die omsingeling,
wat mij in avondstond omringt:
bewoonbaar is de wereld niet.

Bewoonbaar is de wereld niet.
Dat voel ik als de wind ontwaakt
en in de eik blaast dat ie kraakt;
dat hoor ik in de vleugelslag
van vogelkroost, in vol verzet,
dat bang de steun zoekt bij de tak.
En kom ik naderbij, dan vind
ik in de strijk van maneschijn
een nest vol kleintjes door de wind
omlaag geslingerd, dood, geplet.
Ik voel in die omsingeling,
wat in de nachtstond mij omringt:
bewoonbaar is de wereld niet.

Vertaling van Die wêreld is ons woning nie, Totuis.

Categorieën
Grunneger kouk

Goa nait beraaid

Goa nait beraaid in dij goie nacht.
Ollu mouten ontvlammen as t licht uut tied gaait.
Reren, reren tegen de dag dij op gainent wacht.

Wiezen waiten dat duuster t leste lacht.
Omreden heur woorden hebben nait ain bliksem zaaid,
goan zai nait beraaid in dij goie nacht.

Goien, overrold deur golven, grienend om de kracht
van grode doaden – want dij bleken gaauw lebait –
reren, reren tegen dij dag dij op gainent wacht.

Broesders dij de zunne zongen in pracht
en uutbraand noasnokken van heur groot verdrait
goan ook nait beraaid in dij goie nacht.

Daipen mit dood in d’ogen en blinde smacht
noar n vrouger zunnestörm dij nait meer waait
reren, reren tegen dij dag dij op gainent wacht.

En joe, mien pa, doar in joen bèrre zacht.
Vluik, zegen mie mit joen troanen woest en wraid.
Goa nait beraaid in dij goie nacht,
reer, reer tegen dij dag dij nooit op joe wacht.

(vertaling van “Do not go gentle into that good night” van Dylan Thomas)


Gepubliceerd in Toal en Taiken 2017, nr. 3)

Categorieën
Bout-rimé

De vuisten

Ik heb mijn vuisten in je kruis geplant
en ken er zat die dat ook zouden willen,
want wie heeft er met jou niet wat te schillen?
Dat krijg je als je kinderen aanrandt.
Je kop was al een teken aan de wand.
Die pik van jou zal ik eens laten trillen
Ik heb mijn vuisten in je kruis geplant
en ken er zat die dat ook zouden willen.

Dus jij pakt heel graag meisjes, van die prille?
Ook dames laat jij niet onaangerand?
Ik zal je, met je pornofiele grillen!
Ja, ik zal jou eens even stevig drillen.
Ik heb mijn vuisten in je kruis geplant.

(Bout-rimée op De Ceder van Han G. Hoekstra)

Categorieën
Sonnet

Zalig

Het was in de dom van Sint-Jan-met-de-Pet.
Daar zijn laatst tien priesters tezamen gehuldigd.
De paus was hen namelijk nog wat verschuldigd.
Dat werd dus een dienst met aansluitend banket.

Ze waren reeds zalig, zo werd er gemeld,
en daarom al ooit met egards overladen.
Maar wegens hun waslijst aan waardige daden
verkregen zij nu ook de heiligheidsspeld.

Er kwamen tienduizenden mensen op af:
Familie en vrienden, geen medeasceten.
Zij waren benieuwd naar de schalen vol eten
en een van de priesters zei: “O, wat een straf.

De heiligverklaring gaat nu veel grootschaliger
dan toen in de tijd van mijn grootvader-zaliger”

Categorieën
Overig

Mening

Ik heb opeens een mening
Maar zit ermee omhoog
Er wordt al veel gevonden
Door volk of demagoog

Daar kom ik vast niet tussen
Ik reken mij niet rijk
Want als het iemand opvalt
Dan ga je door het slijk

’t Is enerzijds best jammer
Ik ben genuanceerd
Doordacht is mijn opinie
Ik heb ervoor geleerd

Om alles uit te leggen
Dat kost me een kwartier
Maar daarmee doe je meestal
Geen mens nog een plezier

Laat ik dus maar niks zeggen
Het heeft toch weinig zin
Mijn schrandere adviezen
Gaan er bij niemand in

Want één ding is wel zeker
Dat geeft mij niet veel moed
Of ik nou zwijg of los ga
Het is toch nooit eens goed

Categorieën
villanelle

Viral

Hij tweette laatst: “Het leven is maar kut”
Vervolgens las hij andermans getwitter
Want ja, wat had zo’n melding ook voor nut?

Een Twitteraar met toch al weinig fut
Bekeek de tekst; het maakte hem niet fitter
Retweette dus: “Het leven is maar kut”

Een derde zag de tweet en dacht: “O gut”
En deelde dit, al bleker en al witter,
Want ja, het leek een zin zo vol van nut

De volgende, behoorlijk ingedut
Afkerig van die loze tijdlijnglitter
Ook hij verzond: “Het leven is maar kut”

Miljoenen werden plotsklaps opgejut
En met het uur werd alles steeds maar shitter
De vraag was: had het leven nog wel nut?

De wereld werd compleet dooreengeschud
De naakte waarheid maakte velen bitter
Getweet alom: “Het leven is maar kut”

Het hele universum in de put…
Maar welke filosoof was oertransmitter?
Wie schreef het eerst: “Het leven is maar kut”?
Of had die vraag inmiddels ook geen nut?

Categorieën
Tripel

De zigeunerjongen

De wang van dat joch met die traan
Vereeuwigd op houtvezelplaten
Verbonden voel ik me, begaan
Met prentjes van droeve gelaten

Zo’n joch met die traan op zijn wang
Hoe kun je dat schatje nou haten?
Hij hangt bij mij thuis in de gang
En draagt er zijn lot zo gelaten

Die traan op de wang van dat joch:
Armoedige kitsch van primaten?
Ik zwicht voor je arty gepoch
Ik heb hem op zolder gelaten